Lichttechnische basisbegrippen
Hieronder wordt een overzicht gegeven van de meest belangrijke lichttechnische begrippen.
Lichtstroom
De lichtstroom [Φ] is een maat voor de hoeveelheid licht (energie) die een lichtbron per tijdseenheid (per seconde) in alle richtingen uitstraalt. Lichtstroom is energie per tijdseenheid en wordt in Lichtwatt uitgedrukt. In de verlichtingstechniek wordt de eenheid Lumen [lm] gebruikt. Lichtwatt en Lumen verhouden zich als volgt tot elkaar:
1 Lichtwatt = 683 lumen
Lichtsterkte
De lichtsterkte [cd] van een lichtbron is de hoeveelheid licht die de bron afgeeft. Een lichtbron straalt haar lichtstroom vaak naar verschillende richtingen uit met verschillende sterktes. De lichtsterkte is de in een bepaalde richting uitgestraalde lichtstroom. Voor de lichtsterkte wordt eenheid candela [cd] gebruikt.
Verlichtingssterkte
De verlichtingssterkte [lx] of illuminantie is de totale invallende lichtstroom die op een bepaald oppervlak terecht komt. Het gaat hierbij dus om invallend licht, niet om uitgestraald licht. Voor verlichtingssterkte wordt de eenheid lux [lx] gebruikt.
De verlichtingssterkte bedraagt 1 lx als de lichtstroom van 1 lm gelijkmatig verdeeld is over een oppervlakte van 1 m2.
Luminantie
Luminantie [cd/m2] of lichtintensiteit is de hoeveelheid licht die per oppervlakte-eenheid wordt uitgestraald of weerkaatst. Luminantie wordt uitgedrukt in candela per vierkante meter.
Licht en straling
Licht is elektromagnetische straling met het frequentiebereik dat waarneembaar is met het menselijk oog. Het gaat hierbij om een straling tussen de 360 en 830 nm. Dit is een klein gedeelte van het spectrum van elektromagnetische straling. De verschillende golflengten worden door het oog gezien als verschillende kleuren: rood voor de langste golflengte en violet voor de kortste. De grootste gevoeligheid van het menselijk oog ligt bij ca. 550 nm (geelgroen) bij daglicht en bij 500 nm (blauwgroen) bij nacht.
Lichtrendement
Lichtrendement geeft aan met welk rendement het opgenomen elektrisch vermogen wordt omgezet in licht. Lichtrendement wordt in de eenheid Lumen per Watt [lm/W] aangeduid.
Hoe minder verlies er optreedt bij het omzetten van elektriciteit naar licht, des te beter is de lm/W verhouding.
Kleurtemperatuur
De kleurtemperatuur van een lichtbron voor wit licht is gedefinieerd als de temperatuur van een zwart lichaam waarvan het uitgestraalde licht dezelfde kleurindruk geeft als de werkelijke lichtbron. De kleurtemperatuur wordt uitgedrukt in Kelvin [K]. De golflengte van het uitgestraalde licht neemt af met toenemende temperatuur. Blauwig licht (korte golflengte) heeft een hogere kleurtemperatuur dan roodachtig licht. Vreemd genoeg wordt licht met een lage kleurtemperatuur als "warmer" ervaren dan licht met een hoge kleurtemperatuur. Een gloeilamp met warmwit licht heeft bijvoorbeeld een kleurtemperatuur van 2.700K, een daglichtwittte fluoricentielamp heeft een kleurtemperatuur van 6.000K.
| Temperatuur (K) | Omschrijving |
|---|---|
| 1200 | Kaarslicht |
| 2000 | Zonsopkomst en zonsondergang |
| 2800 | Gloeilamp, zonsopkomst en zonsondergang |
| 3200 | Halogeenlamp |
| 3500 | Een uur na zonsopkomst |
| 4200 - 4700 | Mengsel van kunst- en daglicht |
| 5000 | Fototoestel-flitser, daglicht |
| 5600 | Standaard daglicht |
| 6000 | Middagzon |
| 6500 | Wit/Neutraal. Standaard waarde voor televisie of monitor. |
| 7000 - 10000 | Zware bewolking of schaduw aan de noordzijde. Zonder direct zonlicht. |
Lichtkleur
De lichtkleur wordt zeer goed beschreven door de kleurtemperatuur. Men kan drie groepen onderscheiden:
- Warmwit: <3000K
- Helderwit: 3000 - 5000K
- Daglichtwit: >5000K
Lampen met dezelfde lichtkleur kunnen zeer verschillende kleurweergave-eigenschappen hebben. Dit komt doordat de spectrale samenstelling van het licht sterkt verschilt.
Kleurweergave
De kleurwaarneming door het menselijk oog is afhankelijk van de kleurweergave-eigenschappen van de lichtbron en wordt uitgedrukt in Ra op basis van de kleurweergave-index. De kleurweergave-index geeft aan in hoeverre de kleuren van een object, zoals waargenomen door het oog, overeenstemmen met die van een referentielichtbron. Om de Ra-waarde te bepalen wordt de kleurverschuiving bepaald van 8 in DIN 6169 vastgelegde testlichtbon c.q. referentielichtbron. Hoe kleiner de afwijking, hoe beter de kleurweergave van de lamp. Een lichtbron met Ra=100 geeft alle kleuren optimaal weer. Hoe lager de Ra waarde, hoe slechter de kleuren worden weergegeven.
Nuttige levensduur
De nuttige levensduur van een lamp is een vereenvoudigde, op de praktijk gerichte beschouwing van de economische levensduur. Men verstaat daaronder het aantal branduren waarna de lichtstroom van de installatie nog ca. 80% van de beginwaarde bedraagt.
In de praktijk daalt de lichtopbrengst van een T8 lamp vaak al na 1 jaar onder deze 80%. T5 lampen houden meer dan 90% van de lichtopbrengst tot het einde van de levensduur.
Voor LED verlichting geldt dat voor eenvoudige, gekleurde LED's, deze levensduur zeer lang is. Bij LED's die fel wit licht uitstralen is dit echter een stuk lager. De nuttige levensduur of halfwaardetijd (de tijd waarna een lamp nog maar de helft van de lichtopbrengst geeft) wordt vaak bij LED's niet door fabrikanten opgegeven. Het is dus zeer raadzaam om naar de levensduur van de lamp te kijken voordat u tot aanschaf overgaat. GreenFox adviseert u graag hierin.
Energielabel
Op grond van Richtlijn 98/11/EG inzke de aanduiding van het energieverbruik moeten lampen voorzien zijn van een energielabel. Op het label wordt aangegeven tot welke van de zeven energie-efficientieklassen de lamp behoort. A staat voor "zeer efficient", G voor "minder efficient".
Voorbeelden van deze classificatie zijn:
- Fluoriscentie- en spaarlampen: klasse A en B
- Halogeengloeilampen: overwegend klasse D
- Gloeilampen: overwegend klasse E en F
Licht op de werkplek
Kort gezegd wordt 300 lux als ondergrens beschouwd voor een gewone werkplek en 500 lux als er regelmatig van papier gelezen moet worden. Dit is vastgelegd in de, overigens niet dwingende, Europese norm NEN-EN 12464-1. Er is inmiddels ook een verband aangetoond tussen de hoeveelheid licht en de effectiviteit van mensen. Hieruit blijkt dat de productiviteit toeneemt bij beter licht.


